Hoe men te Hattem al in 1888 verenigde…

In de tijd van de Doleantie werd meestal door een aantal bezwaarde hervormde gemeenteleden – na de hervormde kerkenraad vergeefs gevraagd te hebben ‘de reformatie der kerk ter hand te nemen’ – een zelfstandige ‘Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende)’ geïnstitueerd, ook als ter plaatse al een Christelijke Gereformeerde Gemeente uit de Afscheiding van 1834 gevestigd was.

Kaart: Google.

Maar in het Gelderse Hattem ging het anders. Daar stichtten de bezwaarden geen eigen Dolerende kerk, maar voegden zich zonder meer bij de plaatselijke Christelijke Gereformeerde Gemeente. In een schrijven van 22 november 1888 gaf ds. W.J. de Haas (1853-1899) samen met scriba J. Kroeze de gang van zaken duidelijk weer.

Vooraf.

Ds. W.J. de Haas (gekomen van Haarlemmermeer-Oostzijde) was van 1887 tot 1895 (toen hij naar Culemborg vertrok) predikant van de Christelijke Gereformeerde Gemeente te Hattem. Hij volgde ds. H. Vissink (1834-1913) op, die op 3 oktober 1886 afscheid genomen had, een paar maanden voordat op 16 december 1886 in Amsterdam de Doleantie landelijk pas echt doorbrak onder leiding van dr. A. Kuyper (1837-1920), al was die kerkelijke beweging in Kootwijk al bijna een jaar eerder begonnen.

Twee brieven…

Hoe dan ook, ds. De Haas en scriba J. Kroeze richtten zich op 22 november 1888 in een gedrukte brief tot de Christelijke Gereformeerde Gemeenten en de Nederduitsche Gereformeerde Kerken in den lande. Daarin merkten ze op dat ‘de afgelopen maanden reeds verscheidene personen uit het Hervormd genootschap zich bij de Chr. Geref. gemeente van Hattem hadden aangesloten’. Maar in november 1888 (‘zeer onlangs’) had ‘een twaalftal broeders en zusters, eveneens tot de Hervormde Kerk behoorende (…) officieel het juk van dit Genootschap van 1816 afgeworpen en zich op het standpunt der Doleantie van 1886 geplaatst’.

Ds. W.J. de Haas (1853-1899).

Zij waren van mening dat het standpunt van 1886 (de Doleantie) en dat van 1834 (de Afscheiding) ‘in beginsel, wezen en doel volkomen gelijk staat en er tusschen Christelijke Gereformeerde en Nederduitsche Gereformeerde Kerken alleen nog verschil van inzicht bestaat over de qualificeering der achtergebleven leden in de valsche kerk van 1816’, de hervormde kerk. Dat  verschil rechtvaardigde volgens hen ‘in geen geval het voortbestaan van de scheiding tussen beide gereformeerde kerkengroepen’.

De bezwaarde hervormde broeders en zusters hadden zich daarom terstond tot de kerkenraad van de Christelijke Gereformeerde Gemeente gewend en hadden hun aan de hervormde kerkenraad gerichte afscheidingsbrieven aan ds. De Haas overhandigd. Bovendien hadden ze tegenover de kerkenraad van de Christelijke Gereformeerde Gemeente verklaard ‘volkomen een te zijn in de belijdenis der Gereformeerde Kerken, vervat in de Drie Formulieren van Eenigheid’, en hadden beloofd zich te onderwerpen aan de kerkelijke tucht van de Christelijke Gereformeerde Gemeente. Hun verzoek was: ‘als mede-lidmaten te worden opgenomen in het lichaam Christi, te Hattem, reeds meer dan vijftig jaar openbaar geworden’ (de Christelijke Afgescheidene Gemeente te Hattem  werd namelijk op 21 november 1835 geïnstitueerd).

De brief van de bezwaarden aan hun kerkenraad.

De hervormde Grote Kerk te Hattem (foto: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed).

De Dolerende leden stuurden vervolgens in november 1888 de volgende brief aan de hervormde kerkenraad, nadat die kerkenraad hun schrijven van 23 maart dat jaar terzijde had gelegd, waarin dringend gevraagd was ‘de reformatie van de kerk ter hand te nemen en het juk van de synodale hiërarchie af te werpen’.

“Weledele Heeren!

Ondergeteekenden, allen lidmaten der Ned. Herv. Kerk, verklaren, uw laatste missive van 23 maart [1888] jl., ernstig overwogen hebbende, in oprechtheid voor den Heere, gelijk zij bij dezen te uwer kennis brengen, dat zij naar de duidelijke uitspraken van Gods Woord en de belijdenis der Gereformeerde Kerk, inzake het stuk der kerke Christi, zich niet langer kunnen en mogen vereenigen met u in het dragen van het zondig juk der Ned. Herv. Kerk als zoodanig, wijl dit al de kenmerken der valsche kerk draagt.

Om deze reden hebben ondergeteekenden zich dan ook met heel hun hart geplaatst op het standpunt der Doleantie, die sedert 1886 in het Herv. Kerkgenootschap openbaar geworden is, zoodat zij u langs deze weg ter kennis brengen, dat zij door ’t innemen van genoemd standpunt, naar het ambt der geloovigen volgens art. 28 onzer Geref. belijdenis, het juk van het Genootschap van 1816 als van een valsche kerk afwerpen.

En aangezien deze daad der gehoorzaamheid aan Koning Jezus reeds meer dan een halve eeuw geleên door de destijds zich noemende Christelijke Afgescheidene, de later [in 1869] genoemd zijnde Christelijke Gereformeerde Gemeente te dezer plaatse geschied is; en het standpunt der Scheiding van ’34 met dat der Doleantie van ’86 wat beginsel, wezen en doel betreft, huns inziens volkomen gelijk staat – zoo verklaren ondergeteekenden, dat zij van nu voortaan bij deze in Hattem geopenbaarde kerk van Christus zich voegen.

Het hele verhaal werd onder meer ook gepubliceerd in ‘De Bazuin’ van 30 november 1888.

Met deze daad der gehoorzaamheid aan den Koning der kerke, hebben zij dus gebroken met uwe zondige door Gods Woord veroordeelde kerkelijke samenleving, terwijl zij hun diep leedwezen betuigen, dat gij als opzieners der gemeente, hun in deze daad niet voorgegaan zijt, edoch blijft in een Genootschap, dat al de kenmerken der ware kerk des Heeren verloren heeft.

Vandaar dat zij ook nu nog u toeroepen en bidden in den Naam des Heeren: breekt toch ook gij – die overtuigd zijt, dat hij in de herv. Kerk niet naar Gods Woord en de Geref. Belijdenis handelen moogt, maar bijna bij elke sacramentsbediening uw geweten moet verkrachten – met zulk eene booze vermenging; opdat u in plaats van Gods ongenoegen – u zeker wachtend in dezen weg – Zijne genadige goedkeuring in den weg der gehoorzaamheid aan den Heere Christus en Zijne ordinanties beloofd, geschonken moge worden.

En hiermee, Weledele Heeren, die wij onmogelijk als wettige dienstknechten van den Heere Christus in Zijn kerk erkennen kunnen, zoolang gij dat Synodale juk torschen blijft, noemen wij ons“ [volgt ondertekening].

‘’… dat hereeniging aller Gereformeerden volgen moge …”

Ds. De Haas en scriba Kroeze voegden er in hun schrijven aan de Christelijke Gereformeerde Gemeenten en de Nederduitsche Gereformeerde Kerken nog aan toe dat de Christelijke Gereformeerde kerkenraad niet het minste bezwaar heeft gehad deze broeders en zusters op te nemen in de Gemeente ‘en als waardige lidmaten van de Tafel des Heeren te erkennen’.

Ze besloten met de wens ‘dat én langs dezen én langs andere Gode welbehagelijke wegen de hereeniging aller Gereformeerden in den lande weldra volgen moge’.

Waarmee Afscheiding en Doleantie te Hattem verenigd waren.

Bron:

De Bazuin, 30 november 1888

H. Beuker, Hoe men te Hattem met de Vereeniging deed. In: De Vrije Kerk, 14e jrg., december 1888