De Gereformeerde Kerk te Maasland (2)

2. Doleantie en Vereniging.

Inleiding.

In deel 1 schreven we over de Afscheiding, het kerkelijk leven en over de predikanten en de kerkgebouwen van de Christelijke Afgescheidene (Gereformeerde) Gemeente te Maasland. Ds. E. van de Kamp (1828-1912) was – na de predikanten P. van der Sluijs (1821-1890), J. Alting (1821-1890), E. Diemer (1834-1921), J. Kuiper (1841-?) en H. Schoolland (1843-1927) – de enige predikant die langere tijd – van 1877 tot 1900 – aan die gemeente verbonden was.

Kaart: Google.

De Doleantie.

Intussen had zich in Maasland een tweede kerk aangediend: de ‘Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende)’, die op 8 april 1888 geïnstitueerd was. Deze tweede afscheiding van de ruim 1.800 leden tellende hervormde gemeente te Maasland telde meteen al ruim 600 leden. Toch stond in hervormd Maasland op dat moment een wat men noemde rechtzinnige predikant in de persoon van ds. W. Koelman die zich, evenals zijn voorgangers (onder wie de bekende dr. Ph.S. van Ronkel) aan ‘de Waarheden van Dordt’ hield. Vrijzinnige gemeenteleden hadden in Maasland nauwelijks invloed. De meerderheid van de gemeente was ‘gewoon orthodox’. Er waren dus over de prediking in Maasland geen klachten, maar men volgde de kerkelijke gebeurtenissen, de kerkelijke strijd, in de rest van het land, nauwkeurig.

Het ‘Gereformeerd Kerkelijk Congres’ (januari 1887).

In ‘De Heraut’ van 9 januari 1887 verscheen dit overzicht van het programma van het ‘Gereformeerd Kerkelijk Congres’.

Zo werd van 11 tot en met 14 januari 1887 in Amsterdam het ‘Gereformeerd Kerkelijk Congres’ gehouden, waar door 1.500 hervormde verontrusten, voor een groot deel kerkenraadsleden, gesproken werd over het ‘ter hand nemen van de reformatie der hervormde kerk’, zoals dat genoemd werd. De ‘Algemeene Synode’ en de andere kerkelijke besturen hadden naar het oordeel van de congresgangers te veel macht, zóveel dat, naar veler oordeel de zelfstandigheid van de plaatselijke gemeente daardoor in het gedrang kwam en aan de vrijzinnigheid in de kerk vrije doorgang verleend werd. Het Congres was georganiseerd door de leiding van de Dolerenden te Amsterdam, onder leiding van dr. A. Kuyper (1837-1920). Tachtig ouderlingen, diakenen en predikanten (onder wie dr. Kuyper), waren in ’s Lands hoofdstad kort tevoren door de kerkelijke besturen afgezet omdat zij zich verzetten tegen de vrijzinnigheid in de hervormde kerk, die – vonden ze – vrij baan gegeven werd door de synode, handelend naar het ‘Algemeen Reglement voor het Bestuur der Nederlandsche Hervormde Kerk’.

Mogelijk had ook de Maaslandse ouderling J. van der Kooij sr. dat Congres bijgewoond. In ieder geval ging wél de hervormde predikant van het nabijgelegen Maassluis naar Amsterdam: ds. T.H. Woudstra (1854-1931). Daarmee betoonde hij zich automatisch voorstander van afschaffing van het ‘Algemeen Reglement’ en de wederinvoering van de in 1816 door de overheid afgeschafte ‘Dordtse Kerken Ordening’. Bij binnenkomst op het Congres moest men namelijk schriftelijk verklaren de reformatie der kerk ‘plichtmatig’ te achten.

Hoe dan ook, in januari 1887 vroeg ouderling J. van der Kooij sr. in de Maaslandse hervormde kerkenraad of de broeders ook een adhesiebetuiging moesten sturen naar ‘de benauwde broederen te Amsterdam’, die door de kerkelijke besturen aan de kant gezet waren en die een maand eerder, op 16 december 1886, in Doleantie gegaan waren. Ds. Koelman betreurde dat het in Amsterdam zover gekomen was, maar wilde geen steunbetuiging aan de afgezette Amsterdamse kerkenraadsleden sturen. Hij voegde er echter aan toe dat de andere kerkenraadsleden dat natuurlijk op persoonlijke titel wél konden doen.

Ds. W. Koelman, hervormd predikant van Maasland in de Doleantietijd.

Naar de Dolerenden te Maassluis (maart 1887).

Ondertussen speelde zich in het nabijgelegen Maassluis een kerkelijke strijd af die door de broeders in Maasland goed in de gaten gehouden werd. In Maassluis preekten vrijzinnige predikanten in vrijwel lege kerken, terwijl de kerken vol stroomden als een orthodoxe predikant de kansel beklom, zoals de al eerder genoemde ds. T.H. Woudstra, die daar op 31 oktober 1886 intrede gedaan had. Toen hij echter al enkele maanden later werd afgezet omdat hij medewerking verleende aan het kerkenraadsbesluit om een vrijzinnig aspirant-lid niet als lid van de kerk toe te laten, besloot de hervormde kerkenraad van Maassluis op 3 maart 1887 in Doleantie te gaan door zich te onttrekken aan de ‘synodale hiërarchie’. Een grote meerderheid van de kerkgangers sloot zich bij de Doleantie – en bij hun dominee – aan.

Twee verzoeken.

Sindsdien bezochten ook veel hervormden uit Maasland de Dolerende kerkdiensten bij ds. Woudstra in Maassluis. Het was dus niet zo verwonderlijk dat op 16 mei 1887 op de kerkenraadsvergadering in Maasland twee ontvangen verzoekschriften behandeld werden, waarin gevraagd werd ‘de reformatie van de kerk ter hand te nemen’. De brieven waren afkomstig van M. van Staalduine en van P. de Jong. Bij de behandeling ervan weigerde ds. Koelman het op stemming te laten aankomen omdat volgens hem het opzeggen van gehoorzaamheid aan de kerkelijke reglementen niet tot de bevoegdheden van de kerkenraad behoorde.

Klachten…

Gezicht op de hervormde kerk te Maasland, lang geleden.

In Maasland woonde ook de hervormde godsdienstonderwijzer J. Lok, die in de Dolerende gemeente van Maassluis catechisatie gaf en zich ook daadwerkelijk bij de Dolerende Kerk van Maassluis had aangesloten. Om die reden werd hij door de classis als godsdienstonderwijzer uit zijn functie ontheven. Ds. Koelman vond het logisch hem ook uit het Maaslandse lidmatenregister te schrappen. Ouderling J. van der Kooij was het daarmee niet eens en ook de andere leden van de kerkenraad verzetten zich daar tegen.

Daar kwam nog bij dat ook een klacht was ingediend tegen ouderling J. van der Kooij sr. en tegen P. de Jong, lid van het College van Notabelen, dat het beheer van de kerkelijke goederen (zoals het kerkgebouw) regelde. De reden van die klacht was dat zij niet meer in de hervormde kerk kwamen maar de diensten van de Dolerenden in Maassluis bezochten. De kerkenraad diende hen volgens de klagers onder censuur te stellen. Ds. Koelman was het met de inhoud van die klacht eens, in tegenstelling tot de andere kerkenraadsleden. Er waren bovendien vele andere gemeenteleden die de Dolerende diensten in Maassluis bezochten; zij zouden dan ook geschrapt moeten worden. Hoe dan ook, de classis – ‘in Maasland doende wat des kerkeraads is’ – ontzette Lok uit zijn lidmaatschap van de kerk.

Hervormd in Maasland; Dolerend in Maassluis…

De vreemde en verwarrende situatie was dus nu dat veel Maaslandse hervormde gemeenteleden in Maassluis bij de Dolerenden kerkten. Daaronder was ook een groot deel van de kerkenraad: op 9 december 1887 werden zij uit hun ambt gezet. Liet je als hervormd gemeentelid van Maasland je kind bij de Dolerenden in Maassluis dopen, dan werd je ook als lid van de hervormde gemeente van Maasland geschrapt.

Ondertussen werden ook klachten ingediend tegen P. Noordam en J. Welling; zij waren door de Maaslandse hervormde gemeenteleden tot lid van het College van Notabelen gekozen hoewel ze zich ‘niet aan de hervormde kerk, maar aan de synodale hiërarchie’, aan het kerkelijk bestuur, onttrokken hadden. Ook zij werden uit de hervormde kerk gezet.

Dolerende diensten in Maaslandse hervormde kerk?

Achtentachtig Maaslandse gemeenteleden die in Maassluis de Dolerende kerkdiensten bij ds. Woudstra bijwoonden, verzochten op 6 augustus 1887 aan de Maaslandse hervormde president-kerkmeester K. de Boois Azn., of ze hun kerkdiensten in de Maaslandse hervormde Grote Kerk mochten houden. Het antwoord was vriendelijk maar duidelijk: het werd door de hervormde kerkmeesters niet toegestaan. In het vervolg werden de dolerende kerkdiensten daarom in de christelijke school te Maasland gehouden.

Burgemeester Van Heel (foto: ‘Dorp in rust en onrust’).

Ondertussen werden zo nu en dan stemmingen gehouden voor de verkiezing van Notabelen. In november 1887 bleek bij die verkiezingen dat Dolerende gekozenen, die de diensten in Maassluis bijwoonden maar nog steeds lid van de hervormde gemeente van Maasland waren, in de meerderheid waren. Zelfs de niet Dolerende burgemeester J.M. van Heel, die ook kandidaat Notabele was, kreeg minder stemmen dan bijvoorbeeld P. Noordam en J. Welling, die zich bij de Doleantie hadden aangesloten.

Natuurlijk werden Noordam en Welling door de classis ter verantwoording geroepen en werd hun gevraagd of zij de hervormde kerkelijke besturen eigenlijk wel erkenden. Toen ze daarop onbevredigend antwoordden werden zij ontzet uit het lidmaatschap van de hervormde kerk.

De Doleantie in Maasland (8 april 1888).

Op zondag 8 april 1888 kwamen de Maaslandse Dolerende gemeenteleden zoals gewoonlijk voor hun kerkdienst samen in de christelijke school. Ds. Woudstra van Maassluis ging voor. Na de dienst werd – zonder nieuwe ambtsdragers te kiezen, want die waren er al – officieel de ‘Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende)’ te Maasland geïnstitueerd.

De christelijke school.

Al eerder had de inmiddels aangevulde hervormde kerkenraad in januari 1888 met zeven van de negen stemmen besloten een brief aan het schoolbestuur te richten, waarin meegedeeld werd dat men de Dolerenden niet meer de gelegenheid mocht geven hun kerkdiensten in het schoolgebouw te houden. Toen daarop verder niet gereageerd werd besloot de hervormde kerkenraad enkele maanden later niet meer voor de school te collecteren. Het bestuur was met de Doleantie meegegaan, zodat de school in feite geen enkele binding met de hervormde gemeente meer had.

Gezicht op de Heerenstraat te Maasland, lang geleden.

De Dolerenden uit het lidmaatschap ontzet.

Om een eind te maken aan het overwicht van de Dolerenden bij de verkiezingen voor Notabelen en Kerkmeesters stuurde de hervormde kerkenraad aan de leden van de kerk van Maasland die zich hadden aangesloten bij de Doleantie een brief. Daarin werd hun gevraagd aan welke kant ze eigenlijk stonden. ‘Schaart gij u aan de zijde van hen, die met verbreking der synodale organisatie, een tegenkerkeraad hebben benoemd, of erkent gij den kerkeraad der Ned. Herv. Gemeente alhier als de wettige kerkeraad en wilt ge ook daardoor, naar belofte en plicht, tot den bloei der Herv. Kerk, met opvolging van hare vergaderingen, volijverig blijven meewerken?’

Als ze binnen acht dagen daarop niet met een positief ‘ja’ zouden hebben geantwoord, zouden ze uit hun lidmaatschap van de hervormde kerk worden ontzet. Eenennegentig leden stonden op de lijst van wie bekend was de kant van de Doleantie te hebben gekozen. Op het schrijven van de kerkenraad werd nauwelijks gereageerd. De kerkenraad schreef aan de kerkmeesters – met Dolerende sympathieën – dat deze leden als stemgerechtigden in het lidmatenboek doorgehaald moesten worden. Maar… de kerkmeesters voldeden vooralsnog niet aan dat verzoek.

Op 12 oktober 1888 spraken ze er weer over en besliste de meerderheid dat ‘er kinderen Gods bij zijn, en het is niet gering de hand aan Gods volk te slaan. Hebben deze mensen, die de zuivere Waarheid aankleven, volgens Gods Woord gezondigd?’. Volgens de enige voorstemmer hadden ze de reglementen overtreden. Waarop Van der Wel antwoordde: ‘dat wij eens volgens Gods Woord, en niet volgens de Reglementen zullen worden geoordeeld’. De drie Dolerende kerkrentmeesters werden over hun stemgedrag ter verantwoording geroepen. Op 29 oktober 1888 werden ze uit hun lidmaatschap van de kerk ontzet. Hun ontzetting door de kerkenraad ‘had in de gemeente veel kwaad bloed gezet en bewerkt dat de Dolerende gemeente in bloei kwam’.

Een eigen kerk (1889).

De Dolerende Doelstraatkerk.

In juli 1888 vatten de Dolerenden in Maasland het plan op een eigen kerk te bouwen aan de Doelstraat. Het bestuur van De Vereniging ‘De Kerkelijke Kas’, die namens de Dolerende kerkenraad de zaken regelde waarvoor rechtspersoonlijkheid nodig was, vroeg de hervormde kerkrentmeesters voor de zekerheid of ze daar bezwaar tegen hadden (de afstand tot de hervormde kerk moest volgens de geldende wettelijke regels minimaal 200 meter zijn). De kerkrentmeesters zouden geen problemen maken, was het antwoord.

In het najaar van 1888 werd met de bouw begonnen naar het plan van Th. van der Doll, bouwkundige te Maassluis. Het metselwerk werd gedaan door de metselaars Binnendijk en Lalleman, het timmerwerk door de timmerlieden De Baan en Van Eymeren en het schilderwerk door de schilders Valk en Van der Burgh. Op zondag 24 februari 1889 kon het nieuwe kerkgebouw in gebruik genomen worden. Boven de ingang van de kerk werd een steen geplaatst met als tekst: ‘De Heere heeft groote dingen bij ons gedaan, dies zijn wij verblijd’.

De gedenksteen ter gelegenheid van de bouw van de Gereformeerde School te Maasland.

In het middenvak zaten de vrouwen op stoelen. De mannen en de grotere jongens zaten in de banken, die aan weerszijden langs de zijkanten van de kerk stonden. ’s Winters was het door slechts één kachel verwarmde kerkgebouw koud, maar bij de koster kon je tegen betaling warme stoven huren, die voornamelijk in het ‘vrouwenvak’ gebruikt werden. De damp van de gebruikte brandstof in de stoven veroorzaakte nogal eens een benauwde sfeer waardoor zo nu en dan iemand van zijn of haar stokje ging. Om dat te voorkomen werd in steeds meer kerken voor de stoven ‘het nieuwe middel Gloed’ in gebruik genomen, waardoor het afgelopen was met de benauwende dampen.

In de beginjaren ontbrak elektrische verlichting in de kerk, wat vooral voor de predikant lastig was, want soms moest hij stoppen met zijn preek totdat de koster in actie kwam om door een luikje in het klankbord boven de preekstoel een petroleumlamp op te hangen.

De eerste predikanten.

Ds. J.D. van der Velden (1859-1947) stond van 1889 tot 1892 als Nederduits Gereformeerd predikant in Maasland.

Op 17 november 1889 deed de eerste predikant van de Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende) zijn intrede in Maasland. Het was ds. J.D. van der Velden (1859-1947) van het Friese Buitenpost. Hij stond er ongeveer drie jaar, want op 12 juni 1892 nam hij afscheid wegens zijn vertrek naar de Dolerende Kerk van Middelburg, waar hij precies een week later intrede deed. “Met grote nauwgezetheid heeft hij steeds zijn ambtswerk verricht. De betekenis van het huisbezoek werd bovenal zeer goed door hem ingezien en in getrouwheid heeft hij alle jaren door de zieken en ouden van dagen bezocht, hen getroost en bemoedigd. De jeugd had in bijzondere mate de liefde van zijn hart en dit bleek niet alleen op de steeds zeer druk bezochte catechisaties, doch eveneens in zijn belangstelling voor het jeugdwerk”.

Een half jaar later werd hij opgevolgd door ds. J.H.M.G. Wolf (1859-1908) van Serooskerke, die op 11 december 1892 intrede deed en tot 2 oktober 1898 in de kerk van Maasland verbonden bleef.

Ds. J.M.H.G. Wolf (1859-1908) stond van 1892 tot 1898 als predikant in de Gereformeerde Kerk B van Maasland.

Ds. J.J. Berends (van 1898 tot 1921).

Daarna volgde een lange periode waarin ds. J.J. Berends (1865-1955) van Sint Anna Parochie aan de Kerk van Maasland verbonden was: van 23 oktober 1898 tot 6 november 1921.

“Van Sint Anna Parochie leidde de weg naar Maasland en daarmee gleed het levensscheepje in heel wat kalmer water. Hier een gemeente met weinig of geen deining, zodat rustig gearbeid kon worden aan de verrijking en de opbouw van het geestelijk leven. Evenwel bleef hem het leed niet gespaard, want hier moest hij zijn trouwe gade, die hem zeven kinderen had geschonken, naar haar laatste rustplaats brengen. De ledige plaats werd enkele jaren ingenomen door mej. S. Zaal, met wie hij meer dan een kwart eeuw gelukkig mocht samenleven en uit welk huwelijk vier kinderen werden geboren”.

“In Maasland bracht ds. Berends het grootste deel van zijn ambtstijd door, namelijk 23 jaren. Behalve aan zijn eigenlijk ambtswerk wijdde hij ook zijn krachten aan het christelijk onderwijs, aan de verzorging van het Gereformeerd Weeshuis te Middelharnis, terwijl mede het Gereformeerd Traktaatgenootschap ‘Filippus’ de liefde van zijn hart en zijn daadwerkelijke steun genoot. Voeg daarbij zijn curatorschap van de Theologische Hogeschool in Kampen, en dan blijkt wel uit al deze gegevens zijn veelvuldige activiteit”.

3. Naar eenwording (1886-1900).

Ds. J.J. Berends (1865-1955) stond van 1898 tot 1921 als gereformeerd predikant in Maasland.

Toen op 8 april 1888 in Maasland de ‘Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende)’ werd geïnstitueerd waren er dus drie kerkgenootschappen in Maasland vertegenwoordigd: de sterk gekrompen ‘Nederlandse Hervormde Gemeente’, de rond de honderdvijftig leden tellende ‘Christelijke Gereformeerde Gemeente’ en de ‘Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende)’, die ongeveer zeshonderd leden telde. De Dolerende kerk groeide zelfs zozeer dat in 1899 een zijvleugel aan de kerk gebouwd moest worden. De kerk telde toen 540 zitplaatsen.

Landelijk waren na de Doleantie – die officieel in 1886 begonnen was – al vrij snel onderhandelingen begonnen tussen de ‘Christelijke Gereformeerde Kerk’ uit de Afscheiding en de ‘Nederduitsche Gereformeerde Kerken’ uit de Doleantie. Ook in Maasland begon men met elkaar te praten. Maar zo snel als het landelijk voor elkaar kwam – op 17 juni 1892 werden de beide kerkgenootschappen officieel verenigd in ‘De Gereformeerde Kerken in Nederland’ – zo snel ging het in Maasland niet. Daar zou het tot 1900 duren voordat daar van één plaatselijke ‘Gereformeerde Kerk’ gesproken kon worden.

Gereformeerde Kerk A en B (1892-1900).

Het orgel in de Doelstraatkerk (foto: ‘Uit het verleden’).

Toch was er vanaf 17 juni 1892 al iets te zien van de komende eenwording, ook in Maasland. Tijdens de historische landelijke Verenigingsbijeenkomst in de Keizersgrachtkerk in Amsterdam was namelijk afgesproken dat, waar in dorpen en steden de samenvoeging van de twee plaatselijke kerken niet zo vlot kon verlopen omdat men nog allerlei verschillen van inzicht had, beide kerken tóch ‘Gereformeerde Kerk’ zouden gaan heten. Ook in Maasland gebeurde dat dus. De oudste van de twee kerken (zo was afgesproken), meestal de Christelijke Gereformeerde Gemeente (in Maasland met ds. Van de Kamp als predikant), zou een ‘A’ achter de nieuwe kerknaam voegen: Gereformeerde Kerk te Maasland A. De Dolerende kerk zette een ‘B‘ achter de kerknaam: Gereformeerde Kerk te Maasland B.

Al vrij snel zocht de Maaslandse Dolerende kerkenraad toenadering tot die van de Christelijke Gereformeerde Gemeente. Deze voelde er aanvankelijk echter niets voor. De Dolerende Kerk had volgens hen niet eens geïnstitueerd mogen worden. Er wás immers een ‘ware kerk’ in Maasland, de Christelijke Gereformeerde Gemeente! Daar hadden de Dolerenden zich gewoon bij moeten aansluiten in plaats van een eigen kerk te stichten. En bovendien hadden de Dolerenden in hun landelijke bladen ‘het werk Gods van 1834‘ (de Afscheiding onder leiding van ds. H. Cock) nogal eens in twijfel getrokken. Samengaan, de twee kerken verenigen, zou zijn ‘het verloochenen van het werk dat God in 1834 begon en tot hiertoe voortzette en regeerde’.

Ds. E. van de Kamp (1827-1912) stond van 1877 tot 1900 in Maasland.

Toch bleef men niet strak naast elkaar voortleven. In 1891 besloten beide kerkenraden – als het zo uit kwam – elkaars predikant op de preekstoel toe te laten, bijvoorbeeld bij afwezigheid van de eigen dienaar des Woords.

Een lid van de Dolerende Kerk, P. van Staalduine, wilde als teken van broederlijke eensgezindheid, overgaan van de Maaslandse Dolerende Kerk naar de Christelijke Gereformeerde Gemeente in het dorp. Die kerkenraad stelde echter als voorwaarde dat hij dan wel eerst opnieuw belijdenis van het geloof moest afleggen. Maar daarover piekerde van Staalduine niet en dreigde toen lid te zullen worden van de Christelijke Gereformeerde Gemeente van het nabijgelegen De Lier. Daarop gaf de kerkenraad toe en schreef hem als lid van de Maaslandse Christelijke Gereformeerde Gemeente in.

Dat leverde de kerkenraad echter een hoop problemen op. Er kwam ‘grote opschudding’! Gemeentelid N. Boers was het er volledig mee oneens, en hij was niet de enige. Je kon toch niet zomaar iedereen, die een paar jaar eerder uit de Hervormde Kerk gestapt was, gaan inschrijven! Hij dreigde in juli 1891 over te gaan naar de Christelijke Gereformeerde Kerk (van Maassluis) als Van Staalduine niet meteen ‘afgezet’ werd. Vijf jaar lang bleef het tobben, totdat Boers de daad bij het woord voegde en naar de kerk van Maassluis overging. De rust keerde weer.

Preken in elkaars kerk.

De Dolerende (later Gereformeerde) kerk in de Doelstraat groeide zo snel, dat in 1899 een zijvleugel aangebouwd moest worden (foto: ‘Uit het verleden’).

Toch gebeurde er ook wel eens iets gezamenlijks. Zo werd op 17 augustus 1891 in het christelijk gereformeerde kerkje aan de Langetaam een gezamenlijk biduur met de Dolerenden gehouden, waar ds. Van de Kamp de leiding had en behalve de Dolerende ds. Van der Velden ook enkele Dolerende gemeenteleden aanwezig waren. En in november van hetzelfde jaar kwam men na een gezamenlijke kerkenraadsvergadering opnieuw samen in de kerk bijeen: ’s ochtends in de christelijke gereformeerde kerk (daar ging ds. Van der Velden voor) en ’s avonds in de Dolerende kerk aan de Doelstraat (waar ds. Van de Kamp de dienst leidde). En zulke gezamenlijke kerkdiensten waren er ook gedurende het winterseizoen van 1891 op 1892, zij het dat daarvoor de weekdiensten op donderdagavond gebruikt werden.

Beschuldigingen.

Maar men hield het harmonieuze ‘samengaan’ niet lang vol. Over en weer werden in de kerkenraden beschuldigingen aan elkaars adres geuit. Kerk A zou de kerkenfusie tegenwerken en kerk B zou ds. Van de Kamp met emeritaat willen sturen. Al was ds. Van de Kamp het met de reactie van zijn kerkenraad niet eens: de gezamenlijke diensten waren toen voorlopig van de baan. Wel werd op zondag 12 oktober 1892 nog een gezamenlijke bidstond gehouden, maar dat kwam alleen maar omdat er een cholera-epidemie in het land was.

Twee jaar later probeerde kerk B het nog een keer om gezamenlijke diensten te houden, maar kerk A was nog steeds niet happig. Het werd ds. Van de Kamp echter kennelijk te gortig. Want op 3 september 1897 riep hij zijn kerkenraad op nu ernst te maken met de onderlinge kerkelijke samenwerking. De predikant haalde de Bijbel, de Belijdenisgeschriften en de Kerkorde erbij om aan te tonen ‘dat de kerk door het niet ineensmelten in zonde ligt’. En zo kwam het dat na zes jaar de gezamenlijke kerkdiensten op donderdag weer werden gehouden, in het kerkje van de Dolerenden aan de Doelstraat.

Ook in de gemeente werden de geesten langzamerhand rijp voor samengaan. In april 1898 ontving de kerkenraad van kerk A een door achttien van de nog geen veertig manslidmaten het verzoek nu snel te komen tot ineensmelting. Het afzonderlijk kerkelijk leven had lang genoeg geduurd. Om geen onnodige extra spanningen in de verdeelde kerkenraad te brengen (twee stemden tegen, vijf voor) werd afgesproken er nog éven mee te wachten. Het verschil tussen de beide predikanten en hun manier van preken en de angst voor kerkscheuring (vooral in kerk A) waren daarvan de oorzaak.

De weg naar samengaan ligt open.

Na het afscheid van ds. Van de Kamp (op 1 augustus 1900) werd ds. J. Vonk (1851-1933) van Maassluis (tot de plaatselijke ineensmelting per 16 oktober dat jaar) consulent van kerk A in Maasland.

Toen kwam ds. Van de Kamp op 31 mei 1900 met het verzoek hem emeritaat te verlenen. De kerkenraad van kerk A ging meteen akkoord (de predikant was intussen 73 jaar). Op 1 augustus 1900 nam hij afscheid van zijn gemeente. De dreiging van een kerkscheuring in de gelederen van A was daardoor een stuk minder geworden en ook de kerkenraad durfde nu de richting van ineensmelting in te slaan. Ds. J. Vonk (1851-1933) van Maassluis werd door de classis aangewezen als consulent van kerk A. Een week na het afscheid van ds. Van de Kamp kwamen toch nog twee leden pleiten tégen ineensmelting, maar de kerkenraad zette nu door.

‘Gereformeerde Kerk te Maasland’.

Want op de vergadering van 24 september 1899 werd het definitieve besluit genomen tot ineensmelting van de beide Gereformeerde Kerken A en B te Maasland. Daardoor kwam het zielental op ruim 850. Afgesproken werd onder meer dat het emeritaatsgeld voor ds. Van de Kamp door beide gemeenten zou worden opgebracht (elk fl. 300); dat ds. Van de Kamp in zijn pastorie mocht blijven wonen; dat de kerk aan de Langetaam, die van kerk A, zou worden verkocht (het was veel te klein om de verenigde gemeente te kunnen herbergen) en dat het kerkgebouw van kerk B aan de Doelstraat als gezamenlijk kerkgebouw in gebruik genomen zou worden.

Op 8 oktober 1900 vergaderde men voor het laatst samen als twee gescheiden kerkenraden. Op 16 oktober 1900 ging de ineensmelting definitief in: zo ontstond ‘De Gereformeerde Kerk te Maasland’.

Naar deel 3 >

© 2018. GereformeerdeKerken.info