Een rumoerige straatprediking in Oost-Groningen…

Inleiding.

De Particuliere Synode Groningen had in 1929 na uitvoerig beraad besloten de Tent- en Autozending niet in het takenpakket op te nemen,  maar die arbeid aan de classes en de plaatselijke kerken over te laten indien men dat wenste.

Ds. E.G. van Teylingen (1903-1980) schreef een verslag van een straatprediking in Ganzedijk bij Finsterwolde...
Ds. E.G. van Teylingen (1903-1980) schreef een verslag van een straatprediking in Ganzedijk bij Finsterwolde…

In Amsterdam bestond immers een gereformeerde vereniging die zich met autozending bezighield. Van die vereniging werd in de provincie Groningen geregeld gebruik gemaakt. Een bloedstollend verslag van de activiteiten in Oost-Groningen troffen we aan in De Heraut voor de Gereformeerde Kerken in Nederland, van 26 juli 1931 (no. 2792). Het verslag werd geschreven door ds. E.G. van Teylingen (1903-1980), destijds predikant van de Gereformeerde Kerk in het Oost-Groningse Oostwold in het Oldambt. Hij was daar van 1929 tot 1934 gereformeerd gemeentepredikant, maar een deel van zijn werkzaamheden bestond uit evangelisatiewerk, onder meer in het nabijgelegen Finsterwolde (waarover we op deze website in juli 2016 uitvoerig zullen berichten). We nemen voor de sfeerbeschrijving uit De Heraut het volgende letterlijk over.

Advertentie van de 'Evangelisatie Vereeniging De Auto Zending' te Amsterdam.
Tijdschrift van de ‘Evangelisatie Vereeniging De Auto Zending’ te Amsterdam.

“Met de autozending in een Oost-Groningsch dorp!

De motor slaat aan en we vertrekken. Wij, dat zijn de evangelist [de heer Schotvanger van de Amsterdamse Vereniging voor Evangelisatie ‘De Autozending’], de student en de dominee [ds. Van Teylingen]; de student aan het stuur, de andere twee achterin, in gezelschap van een handig-hanteerbaar straatharmonium en stapels evangelisatielectuur. De auto verslindt de luttele kilometers, die ons van de plaats van bestemming scheiden. We laten achter ons enkele fietsers, jonge mannen en vrouwen, die straks zingen zullen. Door een te laat ontdekt misverstand zijn ze weinig voorbereid; we zullen ons deze keer moeten behelpen en ’t orgeltje zal flink dienst moeten doen. Daar is het dorp [Ganzedijk, iets ten noordoosten van Finsterwolde] al – een lange streek met afwisselend burgerwoonhuizen en de bekende kolossale boerderijen. Daarachter verscholen en aaneengerijgd langs den dwarsgang staan de arbeidershuisjes. Op de achtergrond strekt zich de onafzienbare vlakte uit der Dollardpolders; de gewassen staan op bloei in de weelderige klei. Dit is het land der kommunisten; zaterdag heeft Louis de Visser er gesproken en zondag in het genabuurde dorp voor vierhonderd man: de verkiezingen zijn op komst.

In het hol van de leeuw: Ganzedijk bij Finsterwolde…

We nemen onze standplaats in op de wegkruising. Er is reeds publiek, want onze komst is aangekondigd. We worden omzwermd door een heele schaar jongens, niet meer dan schoolkinderen. Het is een gejoel van jewelste: ‘Daar is Vader Abraham met z’n gevolg!’ Een ander vraagt, gewichtigdoend, wijzend naar den evangelist: ‘Is dát nu God?’ Prompt komt het antwoord: ‘Welneen, dat is de Zóon van God’. Gelach stijgt op. Wat beklemd maken wij ons klaar. Uit de kroeg aan den overkant komt een jonge kerel aanloopen: ’n verwarde haarbos, een grijnslachend gezicht boven een wijdopenstaand Schillerhemd. ’t Zouden sympathieke trekken zijn zónder die hatelijke oogen. Hij roept: ‘Zijn jullie uit Rusland weggejaagd?’ We doen net of we niets hooren, sjouwen het harmonium op de straat. Een jongen schreeuwt: ‘Straks springt God er uit!’, onder algemeene hilariteit. Het publiek dringt op, de kleinsten vooraan, we kunnen ons nauwelijks roeren.

We zien rond en realiseren ons met schrik, dat er geen politie aanwezig is. Onbegrijpelijk. De burgemeester weet er toch van af? Een misverstand! Wat zullen we nu doen? Wat anders dan dat waartoe we geroepen zijn, al bonst het hart. Onze zangers scharen zich aaneen tegen het hek. Ik bespeel het orgeltje. Het lied klinkt op, half overstemd door de luidruchtige hoorders. Plotseling een hevige onrust; er gebeurt wat, links van mij, achter de zangers. Een paar bengels zijn op het hek geklommen en zwaaien met een stuk papier, onder luid applaus der omstanders. Het is een propagandaplaat der kommunisten: een zwart stadsbeeld met fabrieken en hooge schoorstenen – en daartusschen schrijdt met reuzenschreeden, allesoverheerschend, een geweldige rooie figuur. Boven en beneden zwaar gedrukte letters: Stemt kommunisten!

We zingen daar, tegen het lawaai in. Als we zwijgen bruist daar nog de ‘Internationale’ uit jonge kelen. Onze eerste spreker begint; zijn gewende stem roert de omstanders een oogenblik tot stilte. Wij moeten het doen onder kommunistische vlag. Met een touw is de plaat opzij van ons hoog om een boom vastgebonden. Eén onzer dames is moedig een veldwachter gaan halen, die spoedig verschijnt. Er zijn er die aandachtig luisteren; de meerderheid joelt. Telkens schreeuwt er een: ‘Rood front! Moskou!’

... aan de boom ....
… aan de boom ….

De spreker heeft het over de auto: snelheid, de kortheid van het leven; de overbrugging van groote afstanden, de grootste afstand tussen den zondaar en den heiligen God door Jezus Christus overbrugd. Hij laat enkele dingen weg die misschien prikkelen zouden; ook om kort te zijn. Hij spreekt de kinderen toe die saamgedrongen zijn rondom auto en orgeltje. En men interrumpeert: ‘Onze kinderen krijg je tóch niet!’, haat en dreiging spreekt uit veler gelaat. Hij eindigt onder rumoer. Ik dring me naar het orgelstoeltje tusschen de kinderen. Het instrument wordt bijna omver gedrukt. We moeten een bekend lied zingen, anders loopt het vast. Een jochie, stumperig met een gespalkten arm in een doek, staat vlak voor een der onzen: ‘Ik heb mijn arm gebroken, laat God ‘m eens beter maken!’ Een ander kind vloekt: ‘Al die koksianen moeten ze de keel uitsnijden’. Boven in andermans boom wappert het papier. Op andermans hek zitten en staan de jongens. De veldwachter ziet niets. Hij kent blijkbaar zijn menschen en is niet voorbereid.

Een hele rij meisjes staat tegen het orgeltje gedrukt. Ik vraag: ‘Kennen jullie ‘Er ruischt langs de wolken’?’ Enkele verlegen knikkende hoofdjes: ‘Jawel meneer’. ‘Nou, dan gaan we dát samen zingen’. Tegenover mij een bedrukt gezichtje: ‘Dat mogen wij niet, meneer’. Angstig ziet ze achterom. We zingen tóch – en enkele hooge meisjesstemmetjes klinken mee. Dan een ander lied: ‘Ga niet alleen door ’t leven’. Papieren waarop liederen gedrukt staan worden uitgedeeld. Grage kinderhanden grijpen. Een ruwe mannenhand tracht ze weg te dringen. Ook ouderen nemen het blaadje aan, willen meezingen; ’t gaat door, onder voortdurend geroep van: ‘Rood front!’

Nu moet ik spreken. ’t Gaat een oogenblik, er is stilte. Misschien om mijn onderwerp: landbouw en kunstmest, en een verhaal van twee boeren. Misschien ook omdat ze me kennen van gezicht. Ik haast me, kortheid is geboden. ‘k Roep tot de Levensbron, Jezus Christus; ‘k doe het met vreugde door mijn beklemdheid heen. Het is immers waar dat het evangelie wel tegen spot kan, maar spotters niet tegen het evangelie. Ik zit weer aan het orgeltje, het koortje zingt. Wat is dat nu ineens? Veel van de kinderen loopen weg. Er is algemeene aandacht voor iets wat ginds bij het kroegje gebeurt. Het wordt later opgehelderd. De kinderen zijn weggelokt met een voorspiegeling van lichtbeelden en voordrachten. Ze worden bewerkt om niet meer terug te gaan. Maar ze komen weer: ‘Ik wil liever bij het orgel staan’. Achter mij staat een van de grootste belhamels – van 12 jaar, tracht telkens de woorden van het refrein te pakken – acht dat blijkbaar niet in strijd met zijn principes.

De laatste spreker begint. Hij heeft het over de rust voor het lichaam – en dan over de rust voor de ziel. Er is een steeds stijgende onrust. Het spreken wordt bijna onmogelijk. Hij aarzelt: zal hij het opgeven? De oorzaak blijkt: Jongens zitten op de spatborden van de auto; een is er in gekropen achter den spreker en mishandelt diens Garibaldi. Ze worden verwijderd.

Het einde is er, een lied: ‘Zondaar, zoekt gij rust en vrede’. Elk couplet wordt voorgezegd. Daar zijn gebalde vuisten. Een vrouw roept: ”Hoor hém es!’.

Kom, o kom met al uw nooden / vrede wordt u aangebooden / vlucht dan, eer gij sterven moet / met uw zonde aan Jezus’ voet.

Ds. Siertsema had het in het gereformeerde Drachten een stuk makkelijker bij de straastprediking dan ds. Van Teyklingen in Ganzedijk...
Ds. H. Siertsema (1852-1933) had het in 1909 in het gereformeerde Drachten een stuk makkelijker bij de straatprediking dan ds. Van Teylingen in Ganzedijk…

We vertrekken. Lectuur kunnen we ook hier niet kwijt. Sommigen durven het niet aannemen. Anderen wel, om het te verscheuren als de vorige keer. De kinderen krijgen een blaadje met de liederen, de meisjes vragen erom, de jongens trachten ze uit de auto te grissen. We rijden achteruit door de menschenmassa. De veldwachter maakt den weg vrij. Het papier aan den boom is als een dreiging in onzen rug: ‘Rood front! Rood front!’ Er schreeuwt iemand in de auto: ‘De groeten in jullie hemel!’

We rijden. We zijn weer thuis. Dan zien we elkander aan, verbijsterd. Dan ook verblijd dat we getuigen van Christus mochten zijn. In deze hel. We spreken lang samen. Morgen, in ’t volgende dorp, moet er marechaussee aanwezig zijn, dán is er rust. Maar nu hebben we dan toch het kommunisme in de ziel gezien. Vrucht van honderd jaren maatschappelijk liberalisme en kerkelijk modernisme; en van ónze ontrouw.

We huiveren. God erbarme zich over Oost-Groningen. Hij wijze ons den weg om hier het evangelie te brengen. Aan zielen zoo hard als de klei waarop ze leven, wanneer de zon er weken lang op gebrand heeft. Harder dan het heidendom. Ik zeg: ‘Christelijk Nederland moet het weten’. De anderen stemmen toe.

Dáárom schrijf ik. “